Seite 1 von 30 für den Buchstaben M im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
maag {de}
Magen {m}anat.
maag-darm-leverarts {de} <MDL-arts>
Gastroenterologe {m}genees.
maagaandoening {de}
Magenleiden {n}genees.
maagband {de}
Magenband {n}genees.
maagbloeding {de}
Magenbluten {n}genees.
Magenblutung {f}genees.
maagd {de}
Jungfrau {f}
Magd {f} [Jungfrau] [veraltet] [geh.]
Maagd {de} <♍> [sterrenbeeld, astrologisch teken]
Jungfrau {f} <♍> [Sternzeichen, Sternbild]astron.esot.
maagdelijkheid {de}
Jungfräulichkeit {f}
Maagdenburg {het}
Magdeburg {n}geogr.
maagdenvlies {het}
Jungfernhäutchen {n}anat.
maagholte {de}
Magenhöhle {f}anat.
maagkanker {de}
Magenkrebs {m}genees.
maagkramp {de}
Magenkrampf {m}genees.
maagkrampen {mv}
Magenkrämpfe {pl}genees.
maagpijn {de}
Magenschmerzen {pl}genees.
maagzuur {het}
Magensäure {f}biol.
maagzweer {de}
Magengeschwür {n}genees.
maaidorser {de}
Mähdrescher {m}agr.
maaidorsmachine {de}
Mähdrescher {m}agr.
maaien
mähen
maaiveld {het}
Normalnull {n}geogr.
Maak het kort! [vooral BN]
Mach es kurz!
Maak je borst maar nat! [fig.]
Mach dich auf etwas gefasst!zeg.
Zieh dich warm an! [fig.]zeg.
Maak je geen zorgen!
Mach dir keine Mühe!
maaksel {het} [product]
Erzeugnis {n}
Maakt niet uit!
Egal!
Macht nichts!
maal {de} {het} [keer]
Mal {n}wisk.
maal {het} [hoeveelheid eten]
Portion {f} [Essen]gastr.
maal {het} [maaltijd]
Essen {n} [Mahlzeit]gastr.
Mahl {n} [geh.]gastr.
Mahlzeit {f}gastr.
maalstroom {de}
Mahlstrom {m} [geh.]
maaltijd {de}
Essen {n} [Mahlzeit]gastr.
Mahlzeit {f}gastr.
maaltijden {mv}
Mahlzeiten {pl}gastr.
maan {de}
Mond {m}astron.
maanbaan {de}
Mondbahn {f}astron.
maanbeving {de}
Mondbeben {n}astron.geol.
maanblindheid {de}
Mondblindheit {f} [nicht fachspr.]diergen.
maancake {de}
Mondkuchen {m}gastr.
maand {de}
Monat {m} [bayr., österr.: {n}]
maandag {de} <ma.>
Montag {m} <M., Mo., Mon., Mont.>
maandagavond {de}
Montagabend {m}
maandagmiddag {de}
Montagmittag {m}
maandagmiddag {de} [maandagnamiddag]
Montagnachmittag {m}
maandagmorgen {de}
Montagmorgen {m}
maandagnacht {de}
Montagnacht {f}
maandagnamiddag {de}
Montagnachmittag {m}
maandagochtend {de}
Montagmorgen {m}
maandags
montags
maandagvoormiddag {de}
Montagvormittag {m}
maandbericht {het}
Monatsbericht {m}
maandelijks
monatlich <mtl.>
maandelijkse afbetaling {de}
Monatsrate {f}
maanden {mv}
Monate {pl}
maandenlang
monatelang
maandloon {het}
Monatslohn {m}
maandnamen {mv}
Monatsnamen {pl}
maandresultaat {het}
Monatsergebnis {n}
maandverband {het}
Damenbinde {f}
maaneclips {de}
Mondfinsternis {f}astron.
maanfase {de}
Mondphase {f}astron.
maangodin {de}
Mondgöttin {f}myth.relig.
maanjaar {het}
Mondjahr {n}astron.
maankaart {de}
Mondkarte {f}astron.
maankalender {de}
Mondkalender {m}
maankrater {de}
Mondkrater {m}astron.
maanlanding {de}
Mondlandung {f}ruimteva
maanlandschap {het}
Mondlandschaft {f}
maanlicht {het}
Mondlicht {n}
maanloos
mondlos
maanloze nacht {de}
mondlose Nacht {f}
maanoppervlak {het}
Mondoberfläche {f}astron.
maanraket {de}
Mondrakete {f}ruimteva
maansikkel {de}
Mondsichel {f}
maanstand {de}
Mondstand {m}astron.
maansverduistering {de}
Mondfinsternis {f}astron.
maantandvlinder {de} [Drymonia ruficornis]
Dunkelgrauer Zahnspinner {m} [Nachtfalter]entom.T
maanvis {de} [Mola mola]
Mondfisch {m}visT
maanzaad {het}
Mohn {m}gastr.
Mohnsaat {f}gastr.
maar
aber
nur
sondern
maar {de}
Mär {f}
Maar goed!
Na gut!
maarschalk {de}
Marschall {m}
maart {de}
März {m} <Mrz.>
maartavond {de}
Märzabend {m}
maartdag {de}
Märztag {m}
maartdagen {mv}
Märztage {pl}
maarthelft {de}
Märzhälfte {f}
maartnacht {de}
Märznacht {f}
maartnachten {mv}
Märznächte {pl}
maarts
märzlich
maarts viooltje {het} [Viola odorata]
Duftveilchen {n}bot.T
anat.
maag {de}
Magen {m}
genees.
maag-darm-leverarts {de} <MDL-arts>
Gastroenterologe {m}
genees.
maagaandoening {de}
Magenleiden {n}
genees.
maagband {de}
Magenband {n}
genees.
maagbloeding {de}
Magenbluten {n}
genees.
maagbloeding {de}
Magenblutung {f}
maagd {de}Jungfrau {f}
maagd {de}Magd {f} [Jungfrau] [veraltet] [geh.]
astron.esot.
Maagd {de} <♍> [sterrenbeeld, astrologisch teken]
Jungfrau {f} <♍> [Sternzeichen, Sternbild]
maagdelijkheid {de}Jungfräulichkeit {f}
geogr.
Maagdenburg {het}
Magdeburg {n}
anat.
maagdenvlies {het}
Jungfernhäutchen {n}
anat.
maagholte {de}
Magenhöhle {f}
genees.
maagkanker {de}
Magenkrebs {m}
genees.
maagkramp {de}
Magenkrampf {m}
genees.
maagkrampen {mv}
Magenkrämpfe {pl}
genees.
maagpijn {de}
Magenschmerzen {pl}
biol.
maagzuur {het}
Magensäure {f}
genees.
maagzweer {de}
Magengeschwür {n}
agr.
maaidorser {de}
Mähdrescher {m}
agr.
maaidorsmachine {de}
Mähdrescher {m}
maaienmähen
geogr.
maaiveld {het}
Normalnull {n}
Maak het kort! [vooral BN]Mach es kurz!
zeg.
Maak je borst maar nat! [fig.]
Mach dich auf etwas gefasst!
zeg.
Maak je borst maar nat! [fig.]
Zieh dich warm an! [fig.]
Maak je geen zorgen!Mach dir keine Mühe!
maaksel {het} [product]Erzeugnis {n}
Maakt niet uit!Egal!
Maakt niet uit!Macht nichts!
wisk.
maal {de} {het} [keer]
Mal {n}
gastr.
maal {het} [hoeveelheid eten]
Portion {f} [Essen]
gastr.
maal {het} [maaltijd]
Essen {n} [Mahlzeit]
gastr.
maal {het} [maaltijd]
Mahl {n} [geh.]
gastr.
maal {het} [maaltijd]
Mahlzeit {f}
maalstroom {de}Mahlstrom {m} [geh.]
gastr.
maaltijd {de}
Essen {n} [Mahlzeit]
gastr.
maaltijd {de}
Mahlzeit {f}
gastr.
maaltijden {mv}
Mahlzeiten {pl}
astron.
maan {de}
Mond {m}
astron.
maanbaan {de}
Mondbahn {f}
astron.geol.
maanbeving {de}
Mondbeben {n}
diergen.
maanblindheid {de}
Mondblindheit {f} [nicht fachspr.]
gastr.
maancake {de}
Mondkuchen {m}
maand {de}Monat {m} [bayr., österr.: {n}]
maandag {de} <ma.>Montag {m} <M., Mo., Mon., Mont.>
maandagavond {de}Montagabend {m}
maandagmiddag {de}Montagmittag {m}
maandagmiddag {de} [maandagnamiddag]Montagnachmittag {m}
maandagmorgen {de}Montagmorgen {m}
maandagnacht {de}Montagnacht {f}
maandagnamiddag {de}Montagnachmittag {m}
maandagochtend {de}Montagmorgen {m}
maandagsmontags
maandagvoormiddag {de}Montagvormittag {m}
maandbericht {het}Monatsbericht {m}
maandelijksmonatlich <mtl.>
maandelijkse afbetaling {de}Monatsrate {f}
maanden {mv}Monate {pl}
maandenlangmonatelang
maandloon {het}Monatslohn {m}
maandnamen {mv}Monatsnamen {pl}
maandresultaat {het}Monatsergebnis {n}
maandverband {het}Damenbinde {f}
astron.
maaneclips {de}
Mondfinsternis {f}
astron.
maanfase {de}
Mondphase {f}
myth.relig.
maangodin {de}
Mondgöttin {f}
astron.
maanjaar {het}
Mondjahr {n}
astron.
maankaart {de}
Mondkarte {f}
maankalender {de}Mondkalender {m}
astron.
maankrater {de}
Mondkrater {m}
ruimteva
maanlanding {de}
Mondlandung {f}
maanlandschap {het}Mondlandschaft {f}
maanlicht {het}Mondlicht {n}
maanloosmondlos
maanloze nacht {de}mondlose Nacht {f}
astron.
maanoppervlak {het}
Mondoberfläche {f}
ruimteva
maanraket {de}
Mondrakete {f}
maansikkel {de}Mondsichel {f}
astron.
maanstand {de}
Mondstand {m}
astron.
maansverduistering {de}
Mondfinsternis {f}
entom.T
maantandvlinder {de} [Drymonia ruficornis]
Dunkelgrauer Zahnspinner {m} [Nachtfalter]
visT
maanvis {de} [Mola mola]
Mondfisch {m}
gastr.
maanzaad {het}
Mohn {m}
gastr.
maanzaad {het}
Mohnsaat {f}
maaraber
maarnur
maarsondern
maar {de}Mär {f}
Maar goed!Na gut!
maarschalk {de}Marschall {m}
maart {de}März {m} <Mrz.>
maartavond {de}Märzabend {m}
maartdag {de}Märztag {m}
maartdagen {mv}Märztage {pl}
maarthelft {de}Märzhälfte {f}
maartnacht {de}Märznacht {f}
maartnachten {mv}Märznächte {pl}
maartsmärzlich
bot.T
maarts viooltje {het} [Viola odorata]
Duftveilchen {n}
Seite 1 von 30 für den Buchstaben M im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
Neue Wörterbuch-Abfrage: Einfach jetzt tippen!
Impressum © dict.cc 2022