Seite 1 von 15 für den Buchstaben N im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
na
nach [zeitlich]
na Christus <n.C., n.Chr.>
nach Christus <n. Chr.>
na de middag
am Nachmittag
na het eten
nach dem Essen
na het sporten
nach dem Sport
na kantoortijd
nach Büroschluss
Na regen komt zonneschijn.
Auf Regen folgt Sonnenschein.zeg.
na rijp beraad
nach reiflicher Überlegung
na veel wikken en wegen
nach langem Hin und Herzeg.
naad {de}
Naht {f}kled.textiel
Saum {m}
naadloos
nahtlos
naaf {de}
Nabe {f}autofiets
naafdeksel {het}
Nabenabdeckung {f}auto
Nabendeckel {m}auto
Nabenhaube {f}auto
Nabenkappe {f}auto
Radnabenkappe {f}auto
naaidoos {de}
Nähkasten {m}
naaien
nähen
naaimachine {de}
Nähmaschine {f}
naaimachines {mv}
Nähmaschinen {pl}
naaimand {de}
Nähkorb {m}werkt.
naaister {de}
Näherin {f}kled.textiel
naakt
nackt
naaktfoto {de}
Nacktfoto {n} [schweiz. auch {m}]foto.
naaktheid {de}
Nacktheit {f}
naaktloper {de}
Flitzer {m} [Nacktläufer]
naaktoogkaketoe {de} [Cacatua sanguinea]
Nacktaugenkakadu {m}vogelk.T
Rotzügelkakadu {m}vogelk.T
naaktslak {de}
Nacktschnecke {f}zoöl.T
naaktstrand {het}
Nacktbadestrand {m}
Nacktstrand {m}
naaktzadig
nacktsamigbot.
naaktzadige {de}
Nacktsamer {m}bot.T
naald {de}
Nadel {f}
naald-kortschildboktor {de} [Molorchus (Caenoptera) minor]
Dunkelschenkliger Kurzdeckenbock {m}entom.T
naaldbomen {mv}
Nadelbäume {pl}bos.bot.tuin.T
naaldboom {de}
Nadelbaum {m}bot.T
naaldboombeertje {het} [Eilema depressa, syn.: E. deplana, Katha depressa, K. deplana]
Nadelwald-Flechtenbärchen {n} [Nachtfalterspezies]entom.T
naaldboomsoort {de}
Nadelbaumart {f}bos.bot.tuin.
naaldboomsoorten {mv}
Nadelbaumarten {pl}bos.bot.tuin.
naaldbos {het}
Nadelwald {m}bos.milieu
naalden {mv}
Nadeln {pl}
naaldhout {het}
Nadelholz {n}bos.
naaldlager {de} {het}
Nadellager {n}auto
naaldreuzenboktor {de} [Ergates faber]
Mulmbock {m}entom.T
naam {de}
Name {m}
naam en adres opnemen
Namen und Adresse aufnehmen
Namen und Anschrift aufnehmen
naambord {het}
Namensschild {n}
naambordje {het} [verkl.]
Namensschild {n}
naamgeefster {de}
Namensgeberin {f}
naamgenoot {de}
Namensvetter {m}
naamgever {de}
Namensgeber {m}
naamkunde {de}
Namenforschung {f}
Namenkunde {f}onom.
Onomastik {f}onom.
Onomatologie {f}onom.
naamlijst {de}
Namensliste {f}
naamloos
namenlos
naamloze vennootschap {de} <NV>
Aktiengesellschaft {f} <AG>econ.
naamsaanpassing {de}
Namensänderung {f}
naamsverandering {de}
Namensänderung {f}
naamswijziging {de}
Namensänderung {f}
naamval {de}
Fall {m}taal.
naar
auf
gen [veraltet]
in
nach [örtlich]
zu
naar [misselijk]
eklig
scheußlich
unangenehm
naar [onpasselijk]
schlecht [übel]
übel
naar aanleiding van
anlässlich [+Gen.]
aus Anlass [+Gen.]
naar adem happen
nach Atem ringen
nach Luft schnappen
naar adem snakken
nach Atem ringen
naar bed gaan
ins Bett gehen
naar België
nach Belgiengeogr.
naar beneden donderen [omg.]
herunterdonnern [ugs.]
naar binnen schrokken
hinunterschlingen
naar buiten gaan
hinausgehen
naar buiten komen
herauskommen
naar de bioscoop gaan
ins Kino gehen
naar de filistijnen gaan
in die Binsen gehen [ugs.]zeg.
kaputtgehen [ugs.]zeg.
naar de oude trant
im alten Stil [nachgestellt]
naar de tering helpen
vernichten
naar deze kant
herüber
naar Duitsland
nach Deutschlandgeogr.
naar een film kijken
einen Film ansehen
naar eigen zeggen
nach eigenen Angaben
naar hartenlust
nach Herzenslust
naar het buitenland
in die Fremde
ins Ausland
naar het schijnt
wie es scheint
nanach [zeitlich]
na Christus <n.C., n.Chr.>nach Christus <n. Chr.>
na de middagam Nachmittag
na het etennach dem Essen
na het sportennach dem Sport
na kantoortijdnach Büroschluss
zeg.
Na regen komt zonneschijn.
Auf Regen folgt Sonnenschein.
na rijp beraadnach reiflicher Überlegung
zeg.
na veel wikken en wegen
nach langem Hin und Her
kled.textiel
naad {de}
Naht {f}
naad {de}Saum {m}
naadloosnahtlos
autofiets
naaf {de}
Nabe {f}
auto
naafdeksel {het}
Nabenabdeckung {f}
auto
naafdeksel {het}
Nabendeckel {m}
auto
naafdeksel {het}
Nabenhaube {f}
auto
naafdeksel {het}
Nabenkappe {f}
auto
naafdeksel {het}
Radnabenkappe {f}
naaidoos {de}Nähkasten {m}
naaiennähen
naaimachine {de}Nähmaschine {f}
naaimachines {mv}Nähmaschinen {pl}
werkt.
naaimand {de}
Nähkorb {m}
kled.textiel
naaister {de}
Näherin {f}
naaktnackt
foto.
naaktfoto {de}
Nacktfoto {n} [schweiz. auch {m}]
naaktheid {de}Nacktheit {f}
naaktloper {de}Flitzer {m} [Nacktläufer]
vogelk.T
naaktoogkaketoe {de} [Cacatua sanguinea]
Nacktaugenkakadu {m}
vogelk.T
naaktoogkaketoe {de} [Cacatua sanguinea]
Rotzügelkakadu {m}
zoöl.T
naaktslak {de}
Nacktschnecke {f}
naaktstrand {het}Nacktbadestrand {m}
naaktstrand {het}Nacktstrand {m}
bot.
naaktzadig
nacktsamig
bot.T
naaktzadige {de}
Nacktsamer {m}
naald {de}Nadel {f}
entom.T
naald-kortschildboktor {de} [Molorchus (Caenoptera) minor]
Dunkelschenkliger Kurzdeckenbock {m}
bos.bot.tuin.T
naaldbomen {mv}
Nadelbäume {pl}
bot.T
naaldboom {de}
Nadelbaum {m}
entom.T
naaldboombeertje {het} [Eilema depressa, syn.: E. deplana, Katha depressa, K. deplana]
Nadelwald-Flechtenbärchen {n} [Nachtfalterspezies]
bos.bot.tuin.
naaldboomsoort {de}
Nadelbaumart {f}
bos.bot.tuin.
naaldboomsoorten {mv}
Nadelbaumarten {pl}
bos.milieu
naaldbos {het}
Nadelwald {m}
naalden {mv}Nadeln {pl}
bos.
naaldhout {het}
Nadelholz {n}
auto
naaldlager {de} {het}
Nadellager {n}
entom.T
naaldreuzenboktor {de} [Ergates faber]
Mulmbock {m}
naam {de}Name {m}
naam en adres opnemenNamen und Adresse aufnehmen
naam en adres opnemenNamen und Anschrift aufnehmen
naambord {het}Namensschild {n}
naambordje {het} [verkl.]Namensschild {n}
naamgeefster {de}Namensgeberin {f}
naamgenoot {de}Namensvetter {m}
naamgever {de}Namensgeber {m}
naamkunde {de}Namenforschung {f}
onom.
naamkunde {de}
Namenkunde {f}
onom.
naamkunde {de}
Onomastik {f}
onom.
naamkunde {de}
Onomatologie {f}
naamlijst {de}Namensliste {f}
naamloosnamenlos
econ.
naamloze vennootschap {de} <NV>
Aktiengesellschaft {f} <AG>
naamsaanpassing {de}Namensänderung {f}
naamsverandering {de}Namensänderung {f}
naamswijziging {de}Namensänderung {f}
taal.
naamval {de}
Fall {m}
naarauf
naargen [veraltet]
naarin
naarnach [örtlich]
naarzu
naar [misselijk]eklig
naar [misselijk]scheußlich
naar [misselijk]unangenehm
naar [onpasselijk]schlecht [übel]
naar [onpasselijk]übel
naar aanleiding vananlässlich [+Gen.]
naar aanleiding vanaus Anlass [+Gen.]
naar adem happennach Atem ringen
naar adem happennach Luft schnappen
naar adem snakkennach Atem ringen
naar bed gaanins Bett gehen
geogr.
naar België
nach Belgien
naar beneden donderen [omg.]herunterdonnern [ugs.]
naar binnen schrokkenhinunterschlingen
naar buiten gaanhinausgehen
naar buiten komenherauskommen
naar de bioscoop gaanins Kino gehen
zeg.
naar de filistijnen gaan
in die Binsen gehen [ugs.]
zeg.
naar de filistijnen gaan
kaputtgehen [ugs.]
naar de oude trantim alten Stil [nachgestellt]
naar de tering helpenvernichten
naar deze kantherüber
geogr.
naar Duitsland
nach Deutschland
naar een film kijkeneinen Film ansehen
naar eigen zeggennach eigenen Angaben
naar hartenlustnach Herzenslust
naar het buitenlandin die Fremde
naar het buitenlandins Ausland
naar het schijntwie es scheint
Seite 1 von 15 für den Buchstaben N im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
Neue Wörterbuch-Abfrage: Einfach jetzt tippen!
Impressum © dict.cc 2022