Seite 1 von 29 für den Buchstaben T im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
T-kruising {de}
Einmündung {f}verk.
T-Kreuzung {f} [ugs.] [Einmündung]verk.
T-shirt {het}
T-Shirt {n}
taai
zäh
taaiheid {de}
Zähigkeit {f}
taaitaaipop {de} [NN]
[Süßigkeit ähnlich dem Lebkuchenmann zum niederländischen Nikolausfest]gastr.
taak {de}
Aufgabe {f} [Auftrag]
Auftrag {m} [Aufgabe]
taakstraf {de}
gemeinnützige Arbeit {f} [Sozialstunden als vom Gericht verhängte Strafe]recht
taakverdeling {de}
Aufgabenverteilung {f}
taal {de}
Sprache {f}taal.
taal noch teken geven
kein Lebenszeichen von sich gebenzeg.
taalachterstand {de}
Sprachdefizit {n}taal.
Sprachrückstand {m}taal.
taalbarrière {de}
Sprachbarriere {f}taal.
taalcursus {de}
Sprachkurs {m}opl.taal.
taalgebied {het} [gebied waar bepaalde taal wordt gesproken]
Sprachgebiet {n}taal.
Sprachraum {m}taal.
taalgebruik {het}
Sprachgebrauch {m}taal.
taalgrens {de}
Sprachgrenze {f}taal.
taalkunde {de}
Linguistik {f}taal.weten.
Sprachwissenschaft {f}taal.weten.
taalkundige {de}
Linguist {m}taal.werk
Sprachwissenschaftler {m}taal.werk
taalles {de}
Sprachkurs {m}opl.taal.
Sprachunterricht {m}opl.taal.
taalniveau {het}
Sprachlevel {m} {n}opl.taal.
Sprachniveau {n}opl.taal.
taalpaar {het}
Sprachpaar {n}taal.
taalpsychologie {de}
Sprachpsychologie {f}psych.taal.weten.
taalraadsman {de}
Sprachberater {m}
taalreis {de}
Sprachreise {f}opl.taal.toerisme
taalschool {de}
Sprachenschule {f}opl.taal.
Sprachschule {f}opl.taal.
taalsociologie {de}
Sprachsoziologie {f}sociol.taal.weten.
taalstoornis {de}
Sprachstörung {f}psych.
taaltraining {de} [taalcursus]
Sprachkurs {m}opl.taal.
taalvaardigheden {mv}
Sprachkenntnisse {pl}taal.
Sprachkompetenz {f}taal.
taalvaardigheid {de}
Sprachfertigkeit {f}taal.
Sprachgewandtheit {f}taal.
Sprachkompetenz {f}taal.
taalvakantie {de}
Sprachurlaub {m}opl.taal.toerisme
taart {de}
Torte {f}
taartbodem {de}
Tortenboden {m}gastr.
taartschep {de}
Tortenheber {m}gastr.
tabak {de}
Tabak {m}
tabak bouwen
Tabak anbauenagr.
tabak pruimen
Tabak kauen
tabakconcern {het}
Tabakkonzern {m}handel
tabakgebruik {het}
Tabakkonsum {m}
tabakhandel {de}
Tabakhandel {m}handel
tabakindustrie {de}
Tabakindustrie {f}
tabaksartikelen {mv}
Tabakwaren {pl}handel
tabaksboer {de}
Tabakbauer {m}agr.werk
tabaksconcern {het}
Tabakkonzern {m}handel
tabaksdoos {de}
Tabakdose {f}
tabaksdoosje {het} [verkl.]
Tabakdose {f}
tabaksfabriek {de}
Tabakfabrik {f}ind.
tabaksgebruik {het}
Tabakkonsum {m}
tabakshandelaar {de}
Tabakhändler {m}handelwerk
tabaksrook {de}
Tabakrauch {m}
tabakverslaving {de}
Tabaksucht {f}psych.
tabascosaus {de}
Tabascosoße {f}gastr.
tabel {de}
Tabelle {f}
tablet {het} {de}
Tablette {f}apoth.
taboe
tabu
taboe {het} {de}
Tabu {n}etn.relig.sociol.
tabula rasa maken
reinen Tisch machenzeg.
Tabula rasa machenzeg.
tachisme {het}
Tachismus {m}kunst
tachtig
achtzig
tachtigduizend
achtzigtausend
Tachtigjarige Oorlog {de} [1568-1648]
Achtzigjähriger Krieg {m}gesch.mil.
tachtigste <80e, 80ste>
achtzigste
tachycardie {de}
Tachykardie {f}genees.
tackle {de}
Tackling {n}sport
tact {de}
Takt {m} [Tugend]
tactiek {de}
Taktik {f}
tactiek {de} van aan het lijntje houden
Hinhaltetaktik {f}
tactisch
taktisch
tactloos
taktlos
unsensibel
tactvol
taktvoll
Tadzjikistan {het}
Tadschikistan {n}geogr.
taekwondo {het}
Taekwondo {n}sport
tafel {de}
Tisch {m}meubel
tafelblad {het}
Tischplatte {f}meubel
tafelcontactdoos {de}
Mehrfachsteckdose {f}elektr.
Steckdosenleiste {f}elektr.
tafeleend {de} [Aythya ferina]
Tafelente {f}vogelk.T
tafelgebed {het}
Tischgebet {n}relig.
tafelgerei {het}
Geschirr {n}
tafelgesprek {het}
Tischgespräch {n}
tafelgrill {de}
Tischgrill {m}gastr.
tafelkaars {de}
Tischkerze {f}
tafelkleed {het}
Tischdecke {f}
tafellaken {het}
Tischdecke {f}
tafelpoot {de}
Tischbein {n}meubel
tafelschuimer {de}
Schmarotzer {m} [pej.]
verk.
T-kruising {de}
Einmündung {f}
verk.
T-kruising {de}
T-Kreuzung {f} [ugs.] [Einmündung]
T-shirt {het}T-Shirt {n}
taaizäh
taaiheid {de}Zähigkeit {f}
gastr.
taaitaaipop {de} [NN]
[Süßigkeit ähnlich dem Lebkuchenmann zum niederländischen Nikolausfest]
taak {de}Aufgabe {f} [Auftrag]
taak {de}Auftrag {m} [Aufgabe]
recht
taakstraf {de}
gemeinnützige Arbeit {f} [Sozialstunden als vom Gericht verhängte Strafe]
taakverdeling {de}Aufgabenverteilung {f}
taal.
taal {de}
Sprache {f}
zeg.
taal noch teken geven
kein Lebenszeichen von sich geben
taal.
taalachterstand {de}
Sprachdefizit {n}
taal.
taalachterstand {de}
Sprachrückstand {m}
taal.
taalbarrière {de}
Sprachbarriere {f}
opl.taal.
taalcursus {de}
Sprachkurs {m}
taal.
taalgebied {het} [gebied waar bepaalde taal wordt gesproken]
Sprachgebiet {n}
taal.
taalgebied {het} [gebied waar bepaalde taal wordt gesproken]
Sprachraum {m}
taal.
taalgebruik {het}
Sprachgebrauch {m}
taal.
taalgrens {de}
Sprachgrenze {f}
taal.weten.
taalkunde {de}
Linguistik {f}
taal.weten.
taalkunde {de}
Sprachwissenschaft {f}
taal.werk
taalkundige {de}
Linguist {m}
taal.werk
taalkundige {de}
Sprachwissenschaftler {m}
opl.taal.
taalles {de}
Sprachkurs {m}
opl.taal.
taalles {de}
Sprachunterricht {m}
opl.taal.
taalniveau {het}
Sprachlevel {m} {n}
opl.taal.
taalniveau {het}
Sprachniveau {n}
taal.
taalpaar {het}
Sprachpaar {n}
psych.taal.weten.
taalpsychologie {de}
Sprachpsychologie {f}
taalraadsman {de}Sprachberater {m}
opl.taal.toerisme
taalreis {de}
Sprachreise {f}
opl.taal.
taalschool {de}
Sprachenschule {f}
opl.taal.
taalschool {de}
Sprachschule {f}
sociol.taal.weten.
taalsociologie {de}
Sprachsoziologie {f}
psych.
taalstoornis {de}
Sprachstörung {f}
opl.taal.
taaltraining {de} [taalcursus]
Sprachkurs {m}
taal.
taalvaardigheden {mv}
Sprachkenntnisse {pl}
taal.
taalvaardigheden {mv}
Sprachkompetenz {f}
taal.
taalvaardigheid {de}
Sprachfertigkeit {f}
taal.
taalvaardigheid {de}
Sprachgewandtheit {f}
taal.
taalvaardigheid {de}
Sprachkompetenz {f}
opl.taal.toerisme
taalvakantie {de}
Sprachurlaub {m}
taart {de}Torte {f}
gastr.
taartbodem {de}
Tortenboden {m}
gastr.
taartschep {de}
Tortenheber {m}
tabak {de}Tabak {m}
agr.
tabak bouwen
Tabak anbauen
tabak pruimenTabak kauen
handel
tabakconcern {het}
Tabakkonzern {m}
tabakgebruik {het}Tabakkonsum {m}
handel
tabakhandel {de}
Tabakhandel {m}
tabakindustrie {de}Tabakindustrie {f}
handel
tabaksartikelen {mv}
Tabakwaren {pl}
agr.werk
tabaksboer {de}
Tabakbauer {m}
handel
tabaksconcern {het}
Tabakkonzern {m}
tabaksdoos {de}Tabakdose {f}
tabaksdoosje {het} [verkl.]Tabakdose {f}
ind.
tabaksfabriek {de}
Tabakfabrik {f}
tabaksgebruik {het}Tabakkonsum {m}
handelwerk
tabakshandelaar {de}
Tabakhändler {m}
tabaksrook {de}Tabakrauch {m}
psych.
tabakverslaving {de}
Tabaksucht {f}
gastr.
tabascosaus {de}
Tabascosoße {f}
tabel {de}Tabelle {f}
apoth.
tablet {het} {de}
Tablette {f}
taboetabu
etn.relig.sociol.
taboe {het} {de}
Tabu {n}
zeg.
tabula rasa maken
reinen Tisch machen
zeg.
tabula rasa maken
Tabula rasa machen
kunst
tachisme {het}
Tachismus {m}
tachtigachtzig
tachtigduizendachtzigtausend
gesch.mil.
Tachtigjarige Oorlog {de} [1568-1648]
Achtzigjähriger Krieg {m}
tachtigste <80e, 80ste>achtzigste
genees.
tachycardie {de}
Tachykardie {f}
sport
tackle {de}
Tackling {n}
tact {de}Takt {m} [Tugend]
tactiek {de}Taktik {f}
tactiek {de} van aan het lijntje houdenHinhaltetaktik {f}
tactischtaktisch
tactloostaktlos
tactloosunsensibel
tactvoltaktvoll
geogr.
Tadzjikistan {het}
Tadschikistan {n}
sport
taekwondo {het}
Taekwondo {n}
meubel
tafel {de}
Tisch {m}
meubel
tafelblad {het}
Tischplatte {f}
elektr.
tafelcontactdoos {de}
Mehrfachsteckdose {f}
elektr.
tafelcontactdoos {de}
Steckdosenleiste {f}
vogelk.T
tafeleend {de} [Aythya ferina]
Tafelente {f}
relig.
tafelgebed {het}
Tischgebet {n}
tafelgerei {het}Geschirr {n}
tafelgesprek {het}Tischgespräch {n}
gastr.
tafelgrill {de}
Tischgrill {m}
tafelkaars {de}Tischkerze {f}
tafelkleed {het}Tischdecke {f}
tafellaken {het}Tischdecke {f}
meubel
tafelpoot {de}
Tischbein {n}
tafelschuimer {de}Schmarotzer {m} [pej.]
Seite 1 von 29 für den Buchstaben T im Niederländisch-Deutsch-Wörterbuch
Neue Wörterbuch-Abfrage: Einfach jetzt tippen!
Impressum © dict.cc 2024